Filter uitspraken
Sorteren
De CAVP heeft in 2014 uitspraak gedaan in een procedure tussen 2 veterinair-farmaceutische bedrijven. Het betrof de vraag of bepaalde materialen voor de wachtkamer van de dierenartspraktijk moesten worden aangemerkt als publieksreclame voor een recept-diergeneesmiddel, dat op grond van de Code is verboden. De CAVP oordeelt dat hiervan sprake is, ook al werd in de materialen geen merknaam van het diergeneesmiddel genoemd. De materialen zijn echter vormgegeven in dezelfde stijl als van de display en verpakking van het betrokken diergeneesmiddel, met weergave van de gepatenteerde applicator. Verder bevatten de materialen wervende teksten die verder gaan dan noodzakelijk voor een awareness voorlichtingscampagne. Het bedrijf dient de campagne verder te staken en de dierenartsen erop te wijzen dat zij de materialen uit de wachtkamer dienen te halen.
Deze zaak betrof een aanprijzing van een antibioticum in een brochure en een website, gericht op de professionele dierhouder. De strekking van de aanprijzing was de aandacht te vestigen op de schade die de dierhouder lijdt als hij het antibioticum niet gebruikte en de winst die hij zou maken (door de besparing van voerkosten) als hij het middel wel zou inzetten in zijn bedrijf. Verder bevatte de aanprijzing een prijsvraag waarbij onder meer 5 ton voer en kaartjes voor een pretpark konden worden gewonnen. De klacht tegen de aanprijzing was dat deze aanzet tot overmatig gebruik.
Ten aanzien van de prijsvraag stelt de CAVP vast dat deze op zichzelf bezien geen direct verband hield met de promotie van het antibioticum. Aan de prijsvraag kon ook worden deelgenomen zonder dat het antibioticum werd voorgeschreven. Wat betreft de inhoud van de aanprijzing stelt de CAVP vast dat deze eenzijdig en vrijwel uitsluitend is gericht op het economische voordeel en niet op de klinische effectiviteit van het antibioticum. Door dit eenzijdige promotionele karakter, gaat van de aanprijzing een puur economisch “pull” effect op de dierhouder uit dat kan leiden tot overmatig gebruik. Op grond daarvan oordeelde de CAVP de reclamecampagne in strijd met artikel 4.3 van de Code.
Deze klacht betrof promotionele uitingen (een brochure en een verkorte versie daarvan) voor een diergeneesmiddel voor gebruik bij longontsteking van runderen. De CAVP oordeelde allereerst dat het begrip ‘langdurig’ in de context van de brochure, in tegenstelling tot hetgeen klager betoogde, niet misleidend was. Ook van strijdigheid van de brochure met de SPC was naar het oordeel van de CAVP geen sprake. De klacht ten aanzien van de door beklaagde gemaakte vergelijking tussen de onderling concurrerende geneesmiddelen van klager en beklaagde achtte de CAVP wel gegrond. De betreffende klacht richtte zich specifiek tegen de grafische weergave van de door beklaagde zelf berekende procentuele verschillen tussen de betreffende geneesmiddelen, die een centrale plaats innamen in de brochure. De betreffende grafiek gaf volgens het oordeel van de CAVP ten onrechte de indruk dat het diergeneesmiddel van beklaagde aanzienlijk meer effectief is dan het geneesmiddel van klager. Ten onrechte omdat dit niet, althans onvoldoende bleek uit de studie waarop beklaagde zich beriep. De klacht dat de in de brochure gemaakte vergelijking misleidend was, was daarom gegrond. De klacht dat de studie waarop beklaagde een beroep deed niet peer reviewed en niet gepubliceerd was en daarom in strijd was met artikel 5.2 Code heeft de CAVP afgewezen. Onder verwijzing naar eerdere uitspraken van de CAVP bevestigde de CAVP dat een studie waarnaar wordt verwezen niet peer reviewed hoeft te zijn. Van geval tot geval dient beoordeeld te worden of sprake is van een als wetenschappelijk verantwoord te beschouwen werk dat de actuele stand van de wetenschap en techniek weergeeft. De CAVP was tevens van oordeel dat in zijn algemeenheid niet de eis kan worden gesteld dat een studie waarnaar in een aanprijzing wordt verwezen gepubliceerd en openbaar toegankelijk is. Naar het oordeel van de CAVP dient de laatste volzin in de toelichting bij artikel; 5.2 Code als volgt gelezen te worden: ‘De geciteerde werken moeten openbaar zijn of bij de aanprijzer beschikbaar zijn’. Aan het laatste had beklaagde voldaan.