Filter uitspraken

Sorteren

  • Zaak 2017-03 betrof een geschil tussen twee farmaceutische bedrijven over promotionele uitingen die waren gericht op professionele pensionhouders. De Commissie oordeelde dat de aanprijzingen niet in alle gevallen conform de SPC zijn en bovendien misleidend en heeft daarmee de klager in het gelijk gesteld. De professionele pensionhouders worden niet tot het publiek gerekend, maar gekwalificeerd als professionele dierhouder (in de zin van artikel 4.2 van de Code). Van een schending van het verbod op publieksreclame voor recept-geneesmiddelen is derhalve geen sprake.

  • Deze zaak betrof een aanprijzing van een antibioticum in een brochure en een website, gericht op de professionele dierhouder. De strekking van de aanprijzing was de aandacht te vestigen op de schade die de dierhouder lijdt als hij het antibioticum niet gebruikte en de winst die hij zou maken (door de besparing van voerkosten) als hij het middel wel zou inzetten in zijn bedrijf. Verder bevatte de aanprijzing een prijsvraag waarbij onder meer 5 ton voer en kaartjes voor een pretpark konden worden gewonnen. De klacht tegen de aanprijzing was dat deze aanzet tot overmatig gebruik.

    Ten aanzien van de prijsvraag stelt de CAVP vast dat deze op zichzelf bezien geen direct verband hield met de promotie van het antibioticum. Aan de prijsvraag kon ook worden deelgenomen zonder dat het antibioticum werd voorgeschreven. Wat betreft de inhoud van de aanprijzing stelt de CAVP vast dat deze eenzijdig en vrijwel uitsluitend is gericht op het economische voordeel en niet op de klinische effectiviteit van het antibioticum. Door dit eenzijdige promotionele karakter, gaat van de aanprijzing een puur economisch “pull” effect op de dierhouder uit dat kan leiden tot overmatig gebruik. Op grond daarvan oordeelde de CAVP de reclamecampagne in strijd met artikel 4.3 van de Code.

  • Deze klacht betrof promotionele uitingen (een brochure en een verkorte versie daarvan) voor een diergeneesmiddel voor gebruik bij longontsteking van runderen. De CAVP oordeelde allereerst dat het begrip ‘langdurig’ in de context van de brochure, in tegenstelling tot hetgeen klager betoogde, niet misleidend was. Ook van strijdigheid van de brochure met de SPC was naar het oordeel van de CAVP geen sprake. De klacht ten aanzien van de door beklaagde gemaakte vergelijking tussen de onderling concurrerende geneesmiddelen van klager en beklaagde achtte de CAVP wel gegrond. De betreffende klacht richtte zich specifiek tegen de grafische weergave van de door beklaagde zelf berekende procentuele verschillen tussen de betreffende geneesmiddelen, die een centrale plaats innamen in de brochure. De betreffende grafiek gaf volgens het oordeel van de CAVP ten onrechte de indruk dat het diergeneesmiddel van beklaagde aanzienlijk meer effectief is dan het geneesmiddel van klager. Ten onrechte omdat dit niet, althans onvoldoende bleek uit de studie waarop beklaagde zich beriep. De klacht dat de in de brochure gemaakte vergelijking misleidend was, was daarom gegrond. De klacht dat de studie waarop beklaagde een beroep deed niet peer reviewed en niet gepubliceerd was en daarom in strijd was met artikel 5.2 Code heeft de CAVP afgewezen. Onder verwijzing naar eerdere uitspraken van de CAVP bevestigde de CAVP dat een studie waarnaar wordt verwezen niet peer reviewed hoeft te zijn. Van geval tot geval dient beoordeeld te worden of sprake is van een als wetenschappelijk verantwoord te beschouwen werk dat de actuele stand van de wetenschap en techniek weergeeft. De CAVP was tevens van oordeel dat in zijn algemeenheid niet de eis kan worden gesteld dat een studie waarnaar in een aanprijzing wordt verwezen gepubliceerd en openbaar toegankelijk is. Naar het oordeel van de CAVP dient de laatste volzin in de toelichting bij artikel; 5.2 Code als volgt gelezen te worden: ‘De geciteerde werken moeten openbaar zijn of bij de aanprijzer beschikbaar zijn’. Aan het laatste had beklaagde voldaan.

  • Deze klacht had betrekking op een mailing aan alle dierenartsen met betrekking tot een geneesmiddel tegen, kort gezegd, braken bij honden. Partijen stelden zelf vast dat het middel niet was geregistreerd voor reisziekte bij honden of mensen, zodat de uiting onjuist en in strijd met de Code was. In de mailing werd het middel immers gepresenteerd als een oplossing tegen reisziekte, waarbij bovendien werd gewezen op het succes ervan in de humane gezondheidszorg. De CAVP constateerde dat de mailing een aanprijzing was en niet voldeed aan de in de artikel 5.4Code genoemde eisen. De CAVP was voorts van oordeel dat de in de uiting gebruikte aanprijzing van het middel als ‘het veilige anti-emeticum’ is aan te merken als een ongeoorloofde overdrijving in de zin van artikel 5.1 Code, omdat de suggestie wordt gewekt dat alleen het betreffende middel een veilig aniti-emeticum is, terwijl in werkelijkheid meerdere middelen tegen braken zijn geregistreerd en daarom als veilig moeten worden aangemerkt.

  • Deze klacht betrof promotionele uitingen (een brief en 3 folders waarnaar in de brief wordt verwezen) voor diergeneesmiddelen tegen kennelhoest en niesziekte. Op 2 oktober 2008 besliste de CAVP dat de betreffende brief niet slechts als een herinneringsreclame kon worden gekwalificeerd en dat deze daarom moest voldoen aan de eisen van artikel 5.4 van de Code. Hiervoor is voldoende om in een reclame-uiting naar een bijlage te verwijzen waarin de in artikel 5.4 Code voorgeschreven informatie is opgenomen. Is sprake van verschillende bijlagen bij de reclame-uiting, dan moet de vereiste informatie in elk van die bijlagen zijn opgenomen omdat de bijlagen afzonderlijk van elkaar kunnen worden gelezen en verspreid. In casu werd aan dit vereiste niet voldaan, terwijl de folders die als bijlage bij de brief hoorden, naar het oordeel van de CAVP, in strijd waren met het verbod op reclame voor receptgeneesmiddelen richting het publiek (4.1 Code).